De eerste keer automaat rijden: waar begin je?
Een automaat rijden begint met de juiste mindset. Vergeet het koppelingspedaal, want die is er niet. Zet je linkervoet aan de kant en gebruik alleen je rechtervoet. Waarom? Omdat je anders onbewust het koppelingspedaal zoekt en met een noodstop de auto laat schokken. Dan de versnellingspook; die heeft meestal de volgende standen:
P (Park) – de parkeerstand
R (Reverse) – achteruitrijden
N (Neutral) – vrijstand
D (Drive) – rijden
Sommige modellen hebben extra standen, zoals S (Sport) of L (Low) of een ‘plus’-stand en ‘min’-stand, maar daar komen we later op terug. Om de auto te starten, trap je op de rem en zet je de pook of schakelaar in D. Vervolgens laat je de rem los en kun je vertrekken. In de meeste gevallen begint de auto al te rijden als je het rempedaal laat opkomen in standje ‘D’.
Automaat schakelen tijdens rijden: moet je iets doen?
Nee, in principe regelt de automaat alles. De auto schakelt zelf op en terug. Maar wil je gewoon zélf extra controle, bijvoorbeeld in de bergen of bij inhalen. Veel automaten hebben een handmatige stand (tiptronic of flippers achter het stuur). Dat kan handig zijn als je:
op een helling rijdt en niet wil dat de automaat te snel doorschakelt;
inhaalt en meer controle wilt over de trekkracht;
gaat afdalen en de auto op de motor wil laten afremmen in plaats van constant het rempedaal in te drukken.
In dat geval kun je met de pook of schakelflippers zelf de versnelling kiezen.
File rijden met een automaat: makkelijker dan handbak?
File rijden met een automaat is een verademing ten opzichte van een handgeschakelde auto. Je hoeft niet steeds te koppelen en schakelen: de auto kruipt vanzelf vooruit.
Een paar handige tips:
Gebruik de rem in plaats van gas: de meeste automaten rollen langzaam vooruit zonder gas te geven.
Schakel niet steeds tussen D en N: dit voorkomt onnodige slijtage aan de bak.
Gebruik Auto-Hold als je die hebt: dit voorkomt dat je steeds de rem ingedrukt moet houden.
Wil je echt ontspannen rijden? Kies dan een auto met adaptieve cruise control. Deze functie zorgt ervoor dat automatisch afstand wordt gehouden met je voorganger en breng de auto automatisch tot stilstand als het verkeer stilvalt.
Rijden met een automaat in de bergen: waar let je op?
Bergop en bergaf rijden met een automaat vergt net iets meer aandacht.
Bergop rijden
Bij steile hellingen kan een automaat soms te snel opschakelen, waardoor je trekkracht verliest. Gebruik dan een van deze methoden:
Sportstand (S): de auto schakelt later op en houdt het toerental hoger.
Handmatig schakelen: kies een lagere versnelling voor meer controle.
Kickdown: trap het gaspedaal diep in om terug te schakelen.
Bergaf rijden
Gebruik liever niet alleen de rem – die kan oververhit raken. Dit helpt:
Gebruik een lage versnelling (L of handmatig terugschakelen) om op de motor te remmen.
Schakel cruise control uit: die werkt minder goed bij afdalingen.
Rem kort en krachtig in plaats van constant een beetje om fading te voorkomen.
Mag je met een automaat rijbewijs in een schakelauto rijden?
Nee, in Nederland mag je met een automaat rijbewijs niet in een schakelauto rijden. Je krijgt een code 78op je rijbewijs, wat betekent dat je alleen in een automaat mag rijden. Wil je later toch in een handgeschakelde auto rijden? Dan moet je opnieuw examen doen, maar alleen voor het praktijkgedeelte.
Automaat rijden: handige extra tips
Nog een paar dingen die het rijden met een automaat makkelijker maken:
Voorkom ‘creeping’ bij stoplichten: creeping betekent dat de auto langzaam vooruit kruipt zonder dat je gas geeft, meestal als je de rem loslaat. Houd de voet op de rem, of gebruik de parkeerstand als je lang moet wachten.
Wegrijden in de winter: sommige automaten hebben een wintermodus (W). Die helpt om gladde starts te vermijden.
Bij parkeren de handrem gebruiken: zet eerst de auto in P, trek dan – indien nodig – de handrem aan. Dit voorkomt belasting op de parkeerstand.
Trekvermogen en automaat: ga je een caravan trekken? Controleer of de automaat een trekstand heeft en gebruik die bij hellingen.
Verschillende soorten automaat
Er zijn verschillende soorten automatische transmissies, elk met hun eigen techniek en rijervaring. Dit zijn de meest voorkomende:
Traditionele automaat (koppelomvormer)
Deze klassieke automaat werkt met een koppelomvormer in plaats van een koppeling. Het schakelen verloopt soepel, maar kan wat minder efficiënt zijn qua brandstofverbruik.
Voordelen: comfortabel, sterk bij zwaar werk (zoals trekken van een caravan).
Nadelen: vaak iets hoger brandstofverbruik dan andere automaten.
CVT (Continu Variabele Transmissie)
Een CVT (Continu Variabele Transmissie) heeft geen vaste versnellingen, maar werkt met een trommel en riem of een soortgelijke techniek. Dit zorgt voor een traploze overbrenging, wat resulteert in een soepele en stille rijervaring.
Voordelen: altijd optimale toeren, zuinig bij constante snelheid.
Nadelen: kan ‘rubberband-effect’ geven (hoge toeren zonder directe versnelling).
DCT (Dubbele koppeling)
Een dubbelkoppelingstransmissie gebruikt twee koppelingen: één voor de even versnellingen en één voor de oneven. Dit zorgt voor razendsnel schakelen.
Voordelen: snel schakelen, efficiënt en sportief.
Nadelen: kan schokkerig zijn bij lage snelheid, hogere onderhoudskosten.
Automatische handbak (AMT, gerobotiseerde handbak)
Een AMT (Automated Manual Transmission) is eigenlijk een handgeschakelde versnellingsbak waarbij de auto zelf de koppeling en schakeling regelt. Dit systeem werd vaak in budgetauto’s gebruikt.
Voordelen: goedkoop te produceren, relatief zuinig.
Nadelen: kan traag schakelen en schokkerig aanvoelen.
Elektrische auto’s (Single-speed)
Elektrische auto’s hebben geen traditionele versnellingsbak, maar werken met een enkele overbrenging. Door het hoge koppel van elektromotoren is schakelen niet nodig.
Voordelen: direct vermogen, geen schokken.
Nadelen: geen ‘schakelgevoel’ voor liefhebbers van sportief rijden.